Het Carillon

Wanneer de schemer is gevallen, Deint uit de verte een liedje aan, De mensen heffen het hoofd en luist’ren En sommigen zelfs blijven staan. Daar boven de huizen spitst de toren Met zijn dak, gekust door de laatste zon. En door de hoge gebogen ramen Vliet het lied van het carillon. En met het scheidend licht der avond Vermengt zich stil de melodie En hangt als een sluier in de straten, Opdat een ieder haar schoonheid ziet.
Conny v.d. Boogaardt