Het liedje van de beiaardier

Als ’t vaantje wappert, beiaardier,
En kermis is geboren,
Dan wacht daarboven uw trouw klavier,
Dan spoedt ge u, koene beiaardier,
En klautert naar den toren.
Dan klinken uw klokjes over de stee:
“Lieve gebureman, komde gij mée?”
Dan klinken uw klokjes luide en lang,
Tingelinge tingelang,
Tingelinge tingelang,
Tingetinge tang!

En is de blijdag, beiaardier,
De Prinskensdag geboren,
Dan zit ge weder vóór uw klavier,
En laat uw deuntjes vrank en fier,
Uw schoonste deuntjes horen.
Dan klinken uw klokjes over de stee:
Voor onzen koning een vrome bêe:
“O Here behoed onzen vorst nog lang!”
Tingelinge tingelang,
Tingelinge tingelang,
Tingetinge tang!

En is de kerstnacht, beiaardier,
De grootse nacht geboren,
Dan rolt een traan op uw trouw klavier,
En wat ge deunt dan, beiaardier,
Dat zal wel de Hemel horen.
Dan klinken uw klokjes over de stee:
“Mensen van goeden wil zij vrêe!”
Dan klinkt uit uw klokjes eng’len zang,
Tingelinge tingelang,
Tingelinge tingelang,
Tingetinge tang!

Maar eens ook zult gij, beiaardier,
Van op uw hogen toren,
Volkrachtig konden op uw klavier,
Sa, taaie Vlaming, wees nu fier,
Uw hoogdag is geboren!
De Vlaming en is niet langer knecht,
De Vlaming bekomt zijn volle recht!
Dan deunen uw klokjes zegezang,
Tingelinge tingelang,
Tingelinge tingelang,
Tingetinge tang!

H. Broeckaert